Wat is juist om te doen? Voorrang verlenen aan het recht dan wel aan de plicht, een ethisch dilemma waar ik niet uit kom.
Het is woensdag 9 oktober 2024. Ik kom van bij mijn moeder. Ze verblijft sinds 2 jaar in het WoonZorgCenter, waar ik haar één of twee keer per week bezoek. Soms gaan we samen buiten, zoals deze namiddag naar de kermis; we zijn oliebollen gaan eten. Daarna hebben we nog iets gedronken in de cafetaria, en een beetje nagepraat.
Ze vertelt me telkens weer dat het goed is in dit WZC: het eten is er goed, en het personeel is vriendelijk en behulpzaam. Blijkbaar zijn dat de criteria die boven drijven: eten, vriendelijkheid en beschikbaarheid. De bewoners lachen ook veel onder elkaar, althans zij die nog weten dat ze op de wereld zijn, en er zijn ook veel activiteiten, vooral ook voor zij die nog weten… Mama is meestal tevreden, al merk je wel dat ze langzaam verandert en vaker revolteert met weerbarstige lichaamstaal, grove woorden en scherpe beoordelingen. Of is het niet zij die verandert, maar slechts haar perceptie? Als je dingen anders percipieert neem je er misschien een andere houding bij aan?
Ik probeer haar te volgen in haar hersenkronkels, maar ik geraak toch steeds vaker van haar weg af, en verdwaal in haar gedachtenkluwen, waarin tijd en ruimte steeds frequenter lijken te breken met mijn realiteit en mijn perceptie. Alzheimer weet je wel. Hoe lang nog voor onze gedachten definitief niet meer zullen bewegen in hetzelfde universum, ongeacht of ze dan misschien nog jaren fysiek bij ons zou zijn.
Ik schrijf dit omdat ik daarnet een wake-up call heb gekregen door een toevallig opgevangen conversatie in de gang. Drie bewoners stonden er een praatje te maken, en ik stond verderop toevallig in een deurgat. Ik ben fel vermagerd zei ze (ik zal haar Elisabeth noemen, maar dat is een insider), de maat is vol, ik bid elke dag tot God of ik a.u.b. mag sterven. Dorathea antwoordde niet, en Joop zei dat ze zo niet mocht denken. En waarom niet repliceerde Elisabeth.
Ik ken Elisabeth een beetje van gezamenlijke ontspanningsmomenten en groepsuitstapjes met Mama en andere bewoners. Het is een lieve, zachte vrouw, vooral van weinig woorden, niet echt sociaal, iemand van weinig emotie: nooit boosheid, maar ook nooit uitbundigheid, geen gulle lach, nauwelijks ooit een vorm van lach. Je denkt van zo iemand gemakkelijk dat hij of zij zelfbeheerst en zelfstandig in het leven staat. Die enkele woorden in de gang sloegen dat beeld van haar (dat ik zelf in m’n hoofd had gecreëerd) in één klap aan diggelen, en laten Elisabeth achter in al haar naakte kwetsbaarheid en vooral: uitzichtloze, energieloze wanhoop. Heeft iemand uit haar omgeving dit door, wil iemand dit door hebben? En als je het al door zou hebben: moet je hierin dan mee gaan, of moet je haar dan tegenspreken, of zelfs proberen te ‘redden’ door haar op andere gedachten te brengen, te overtuigen van de waarde van het leven dat haar rest?
We informeren zo graag naar ‘tevredenheid’, maar hoe representatief zijn de bevestigingen die we krijgen? Dekt de waardering voor eten, vriendelijkheid en beschikbaarheid de behoeften wel volledig af, of zijn dit slechts maskers voor onderliggende frustraties, instrumenten om ons te sussen en tegemoet te komen aan de verwachting van de brede omgeving? Conflict ontwijkende Pleasing met gewenste oppervlakkige antwoorden, om het niet te moeten hebben over dieperliggende ontberingen?
Op weg naar huis spookt dit dilemma me door het hoofd: recht op (je eigen) leven of plicht tot (zo lang mogelijk) leven; of beide? Het één sluit niet helemaal het ander uit, maar zeker is alvast… Het faciliteren van de laatste plicht slorpt ontegensprekelijk massa’s extra middelen op, in essentie om het leven te rekken van de vele Elisabeths die intussen elke dag in stilte bidden om van datzelfde leven verlost te worden. Wat is juist om te doen? Voorrang verlenen aan het recht dan wel aan de plicht, een ethisch dilemma waar ik niet uit kom.

